Ben je slimmer als je dt-fouten maakt?

Onder deze titel sprak professor Dominiek Sandra, hoogleraar algemene taalkunde en psycholinguïstiek aan de Universiteit Antwerpen, onlangs bij de afdeling Noorderkempen. Het was ook de titel van zijn optreden bij de Universiteit van Vlaanderen. Waarom maakt iedereen – iedereen – dt-fouten? Zijn (sommige) mensen gewoon te slim voor zo'n simpele regel? Hoeveel woorden moet je eigenlijk kennen voordat je een taal goed kan volgen? En waarom kun je een zin in je moedertaal niet niet-verstaan?

 

Spreken - en het gebruik van taal in het algemeen - is voor ieder van ons zo vanzelfsprekend dat we het merkwaardig vinden dat er wetenschappelijke vragen over zouden kunnen worden gesteld. Nochtans is taal het product van processen in het brein, die veel complexer zijn dan onze intuïtie zou vermoeden. Psycholinguïstiek is de wetenschappelijke studie van ons taalbrein.

Er worden drie taalstadia onderscheiden: de verwerving van de moedertaal, het vlotte taalgebruik van ervaren sprekers en het verlies van taal ingevolge de vernietiging van taalzones in het brein (afasie). Deze stadia bakenen een zeer uitgebreid onderzoeksterrein af. Professor Sandra ging tijdens zijn betoog dieper in op enkele klassieke onderzoeksvragen binnen de psycholinguïstiek.

 

Taalverwerving

 

Taalverwerving is de capaciteit om een taal te leren, al dan niet aangeboren. Steven Pinker ('The Language Instinct') betoogde dat we worden geboren met universele grammaticale principes, die er voor zorgen dat alle talen dezelfde "blueprint" hebben. Een pasgeborene zou die basisprincipes dus niet meer moeten leren. Recent onderzoek wees echter uit dat de taalverwerving, meer dan aanvankelijk gedacht, wordt gestuurd door het ontdekken van terugkerende patronen en sociale impulsen. Kinderen worden niet geboren met de spraakklanken van een bepaalde taal in hun brein. Ze zijn, wat spraakklanken betreft, niet voorgeprogrammeerd. Gedurende de eerste zes maanden zijn ze in staat om de spraakklanken van gelijk welke taal te onderscheiden (bijvoorbeeld het onderscheid tussen de r en de l). Dat vermogen verdwijnt echter naarmate ze worden ondergedompeld in hun moedertaal. Japanse kinderen kunnen tijdens de eerste maanden van hun leven het onderscheid tussen r en l maken. Daarin slagen ze echter, door de invloed van hun moedertaal, niet meer bij hun eerste verjaardag (Japanse volwassenen maken dat onderscheid niet). Er blijkt dus een kritische periode te zijn om de spraakklanken van de moedertaal te verwerven. Die spraakklanken zullen voor de rest van ons leven onze spraakproductie beheersen.

Automatische piloot

Het verstaan van de moedertaal draait op de automatische piloot. Ondanks hun complexiteit werken de mentale processen van spraakherkenning razendsnel en onbewust, zelfs op een manier die het voor ons onmogelijk maakt om een zin in onze moedertaal niet te verstaan. Het brein maakt daarbij gebruik van het detecteren van patronen en van kansberekening (de kans dat een bepaald woord meestal gevolgd wordt door een ander bepaald woord).

Kinderen van 3 jaar kennen doorgaans ongeveer 1000 woorden, kinderen van 5 jaar 10 000 en jong volwassenen van 20 jaar 42 000 woorden. Een kind dat 1000 woorden kent, verstaat 75% van de taal. Kent men 4000 woorden dan verstaat men 90%, en bij 13 200 woorden verstaat men 95% van de taal. Met weinig woorden kan men dus ontzettend veel verstaan.

Herkenning

Ook de herkenning van het geschreven woord is complexer dan we meestal denken. Geautomatiseerde processen in het brein doen hun werk. Zo blijkt uit experimenten dat personen die de kleur van letters moeten benoemen, die samen een kleurnaam vormen maar die zijn afgedrukt in andere kleuren dan de geschreven kleurnaam, daar veel meer moeite mee hebben dan bij gekleurde woorden die niet naar kleuren verwijzen. De proefpersonen blijken geneigd de geschreven kleurnaam te noemen, terwijl hen gevraagd werd de kleur van de letters te benoemen. De automatische woordherkenning zit hen dwars.

Tweede taal

Bij het gebruik van een tweede taal interfereert de moedertaal ook in het taalproces. Bij het lezen van een Engelstalige tekst kunnen we niet verhinderen dat het Nederlands actief wordt wanneer we Engelse woorden zien die ook in het Nederlands voorkomen. Neem bijvoorbeeld de film "Schindler's list" – 'list' is een woord dat zowel in het Engels als in het Nederlands voorkomt, maar met verschillende betekenissen. Bij het lezen van de filmtitel ontstaat automatisch de gedachte aan de – onjuiste - Nederlandse betekenis.

Dt-fouten

De werking van onze breinprocessen tijdens het gebruik van taal blijkt ook duidelijk uit de studie naar hardnekkige taalfouten, zoals dt-fouten. De spellingsregel wordt vroeg aangeleerd en is niet uiterst complex. Er weegt bovendien een zwaar maatschappelijk stigma op dt-fouten. Desondanks worden er veel fouten tegen gemaakt, zelfs door ervaren schrijvers. Hoe komt het dat de automatische breinprocessen hiermee zoveel moeite hebben? De hardnekkigheid van de dt-fouten is te groot om alleen maar te wijten te zijn aan slordig taalgebruik.

Experimenten

Experimenten hebben aangetoond dat het foutrisico bij de spelling van homofone (gelijkklinkende) werkwoordvormen toeneemt naarmate de identificatie van het onderwerp van de zin wordt vertraagd, bijvoorbeeld door tijdsdruk, sterke focus op inhoud, veel woorden tussen onderwerp en werkwoordvorm en nonchalance. Zo worden er meer dt-fouten gemaakt in de zin: "Omdat ik nu wel erg moe word" dan in de zin "Ik word nu wel erg moe". Het werkgeheugen moet in die gevallen meer hindernissen overwinnen om het onderwerp te vinden en is dan geneigd om de meest voorkomende vorm van het woord te kiezen. Voor het homofone paar "word/wordt" is de meest voorkomende vorm "wordt", zodat de meeste fouten gemaakt worden op de d-vorm “word”. De experimenten leggen twee vormen van mentale processen bloot: de invloed van het werkgeheugen en de snelle activering van de dominante vorm in het mentale lexicon.

Geen tolerantie

Deze resultaten impliceren echter geen tolerantie tegenover taalfouten. Het enige wat de proeven aantonen, is dat de dt-regel niet goed op het menselijk brein is afgestemd. Daarom ontsporen onze mentale processen zo gemakkelijk bij het schrijven van homofone werkwoordvormen. Wetenschappelijke inzichten over de oorzaken van taalfouten hebben volgens de spreker echter niets te maken met de houding tegenover die fouten. Het is dus geen reden om te besluiten dat de spelregels niet (meer) moeten worden gerespecteerd.